stichting cognitief talent
Uitdagen van cognitief talent. Ook graag op de basisschool!
In 2005 bracht de Onderwijsraad, een college van advies voor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het rapport ‘De stand van educatief Nederland’ uit. Het kreeg veel aandacht vanwege het betoog over de zogenaamde culturele canon, nummer 2 van de vier adviezen uit het rapport. Maar vooral ook het eerste advies verdient aandacht en discussie. Dat gaat over de economische betekenis van het onderwijs. We worden niet alleen aangepaster en betrokkener van onderwijs, maar we hebben er ook nut van, individueel en als maatschappij. En we hebben vooral met zijn allen nut van wat de mensen met de beste hersens ervan opsteken. Dan hebben we het over wat sommigen hoogbegaafden noemen en anderen intellectueel getalenteerden. Cognitief talent is misschien nog beter. Deze relatief moderne psychologische term geeft duidelijk aan dat het om talent op het gebied van leren, weten en denken gaat.
De Onderwijsraad stelt dat in het basisonderwijs en in het hoger onderwijs te weinig uitdaging is voor cognitief getalenteerden – noem ze maar gewoon slimme leerlingen. In het voortgezet onderwijs zou het beter gaan, omdat daar selectie naar schoolsoort een ontsnappingsmogelijkheid biedt. In de beide andere onderwijsvormen lijdt de betere leerling en student onder een uniform aanbod. Het rapport zegt het heel voorzichtig. Het aanbod biedt ‘wellicht te weinig uitdaging tot leren’. Voor de basisschool is dat zwak gezegd. Een beetje slim kind zit al heel gauw voor spek en bonen op school. En dat is minimaal verkwisting en maximaal verveling of nog erger.
Hoe het beter kan en met meer profijt is op een moeilijke manier te realiseren en op een makkelijke. Traditioneel kiest het onderwijs voor de moeilijke weg. Dat is op zich te prijzen, want moeilijkheden beproeven de mens en dat leidt tot inspanning en uitdaging. Helaas ook vaak tot moedeloosheid en tot opgeven. Het onderwijs zou eerder een voorbeeld moeten nemen aan de manier waarop andere vormen van talent aandacht krijgen.
Neem sporttalent, bijvoorbeeld voetbaltalent. Je begint in een jeugdteam van een plaatselijke club, je valt op en je wordt uitgenodigd om bij topclubs te komen spelen. Je eigen club vindt dat vaak niet leuk, maar je stapt wel over.
Neem muzikaal talent, bijvoorbeeld viooltalent. Je leraar op de muziekschool zegt al snel dat hij of zij je verder niets te bieden heeft en je mag naar een topleraar of een meesterklas. Op je muziekschool is iedereen trots dat ze jou hebben ontdekt.
Neem cognitief talent. Die leerling blijft gewoon op de buurtschool, krijgt in het slechtste geval meer van hetzelfde te doen om hem of haar bezig te houden en in een beter geval de vrijheid om andere dingen te doen om hem bezig te houden. En bezighouden is heel iets anders dan leren. En al heel gauw is de slimme leerling een wijsneus of een ‘stuudje’. Boven de rest uitsteken werkt vaak niet in je voordeel.
Als het programma te simpel is voor de leerling is, kan die het ook in versneld tempo doorlopen. Dat klassen overslaan vinden scholen vaak een zwaktebod, maar voor veel slimme kinderen is het gewoon een zegen.
De meeste basisscholen stellen er een eer in om ook de slimme leerlingen met een goed aanbod pas op hun twaalfde jaar naar het voortgezet onderwijs te laten gaan of men maakt zich zorgen dat de voorlijke broekeman (en ook het tengere, kleine meisje) zich niet kan handhaven tussen al die pubers op het v.o.
De leerling vasthouden eist van de school dat extra lesstof in huis wordt gehaald, dat men de organisatievorm deels aanpast met bijvoorbeeld keuze-uren en dat leraren op nascholing gaan over onder meer de leerbehoefte van hoog-intelligente kinderen. En het legt een zware druk op het algemene ontwikkelingsniveau van de leraar die op deelterreinen snel verslagen wordt door een slimme leerling. Dat is de moeilijke weg die de Onderwijsraad ten onrechte als een begaanbare ziet.
We hebben in ons land meer dan 7000 basisscholen die in de meeste gevallen hun handen vol hebben om het grootste deel van hun leerlingen op een aanvaardbaar niveau te tillen. (Uiterst) Slimme leerlingen zijn er per definitie weinig – hoe jammer dat ook is – en er gaan schooljaren voorbij dat een leraar er geen enkele in de klas of groep heeft. Bij de Toptoets, een uitdagende denkwedstrijd aan het eind van de basisschool, is een kleine helft van de deelnemers de enige vertegenwoordiger van hun school en van een belangrijke groep scholen zien maar om het jaar of nog minder een deelnemer. Wil je echt dat op al die ruim 7000 scholen door een vaak al overbelast team tijd, moeite en expertise in een miniem aantal leerlingen wordt gestoken?
Veel beter is het om anderen in de arm te nemen om die slimme, leergierige leerlingen een goed onderwijsaanbod te doen.
Zo’n aanpak is redelijk eenvoudig en goedkoop te organiseren door gebruik te maken van de expertise op de universiteiten. Via afstandsleren (bijvoorbeeld via Blackboard) haalt de basisschool zo nieuwe kennis in huis. Dat is een zegen voor de jongen die in vulkanen is geïnteresseerd en het meisje dat alles van paardenziektes wil weten. Tussen de universiteiten en scholen voor voortgezet onderwijs is in de Tweede Fase al sprake van een toenemende samenwerking, waarom zou men dat niet kunnen uitbreiden naar de bovenbouw van de basisschool.
Cognitief talent kan zo echt tot ontplooiing komen en dat werpt later, bijvoorbeeld op de universiteit, zijn vruchten af. En als zo’n docent echt geïmponeerd raakt door een leerling van een basisschool, dan is er meteen aanleiding om een tweede maatregel uit te voeren.
Waarom zouden de 13 universiteiten die mooi verspreid in het land liggen niet allemaal minstens één basisschool in hun regio adopteren? Op zo’n school zou een verzwaard, moeilijk en uitdagend leerplan moeten gelden. Aanvankelijk lezen waar op de basisschool in groep 3 (de vroegere 1e klas van de lagere school) bijna het hele jaar aan opgaat, zou op zo’n school niet worden onderwezen. Een kenmerk van slimme kinderen is dat ze vaak min of meer vanzelf al zeer jong kunnen lezen en ook snappen wat ze lezen.
Reken maar dat er leerlingen zijn die dat graag willen. Uit de berichten van de panels van oud-deelnemers aan de Toptoets kun je opmaken dat het vaak een gevoel van bevrijding gaf toen ze in de (vwo-gymnasium)brugklas hun evenknie troffen. Lotgenoten klinkt te somber. Talent, zeker op cognitief terrein, is meestal een zegen. Niet alleen voor degene die het bezit, maar voor ons allen. Laten we ervan profiteren. Als land dient ons ambitieniveau hoog te liggen, zegt het rapport van de Onderwijsraad en vele beleidsmakers en politici zeggen hen dat na. Bij de sub-top horen is niet voldoende, voegt men eraan toe. Zo is dat. Een voetbaltrainer kan het niet beter zeggen. Daag intellectueel talent uit. Liefst te beginnen op school.
Theo Capel
