stichting cognitief talent
Jong, vol beloftes, maar later dan?
Wanneer lost een kind zijn beloftes in? Dat is natuurlijk afhankelijk van wat voor criteria we daarvoor aanleggen. Sommige ouders hanteren het credo 'als ze maar gelukkig zijn', terwijl andere pas tevreden zijn als hun kind minister-president wordt. In het algemeen denken we bij het inlossen van beloftes aan een of andere vorm van maatschappelijk succes zoals hoge functies, goed betaalde banen, bekendheid.
Maar waaruit bestaan die beloftes van kinderen eigenlijk? Die kunnen zich op allerlei terreinen manifesteren: op jonge leeftijd prachtig kunnen tekenen of virtuoos viool kunnen spelen of buitengewoon hard kunnen lopen. Waar we bij die beloftes echter ook vaak aan denken, zijn hun schoolprestaties.
Sommige kinderen kunnen 'goed leren', zoals dat heet, want ze halen met ogenschijnlijk gemak hoge cijfers. De vraag is nu of deze uitmuntende schoolprestaties iets zeggen over het latere maatschappelijke succes, of, met andere woorden, schoolprestaties enige voorspellende waarde hebben.
Van intelligentietests, waarmee iemands IQ bepaald wordt, is bekend dat ze voorspellende waarde hebben. Ze zijn namelijk zo geconstrueerd dat ze dat hebben. Maar hoe meer tijd er is verstreken tussen de intelligentiemeting en de bepaling van wat je wilt voorspellen - schoolsucces, studiesucces, maatschappelijk succes - des te minder het voorspellend vermogen. Dat is niet onbegrijpelijk, want er gaan steeds meer factoren een rol spelen die dat succes mede bepalen en er kunnen allerlei toevallige gebeurtenissen plaats vinden die verzilvering van het potentieel belemmeren. Intelligentiemetingen zeggen niets over die andere factoren en toevallige gebeurtenissen zijn per definitie onvoorspelbaar.
Voor schoolprestaties geldt min of meer hetzelfde. Bij de selectie voor het vervolgonderwijs - moet mijn kind naar het VMBO of naar het VWO - wordt gekeken naar de uitslag van de overbekende CITO-Eindtoets, een objectief instrument om de schoolvorderingen van kinderen te bepalen, maar ook het advies van de onderwijzer speelt een rol. Die kijkt naar de schoolprestaties van een kind, maar ook naar hoe die tot stand gekomen zijn. Dus weegt hij op zijn eigen manier ook andere dingen mee, zoals inzet, doorzettingsvermogen, leergierigheid, sociale vaardigheden e.d. en vast ook wel een aantal meer oneigenlijke zaken, zoals etnische en sociale achtergrond. Allerhande zaken waarvan hij denkt dat ze belangrijk zijn voor iemands mogelijkheden in het voortgezet onderwijs. Over zijn afwegingsproces hebben wij geen informatie en daarom weten wij niet wat voor hem zwaarder weegt: hij/zij kan wel, maar wil niet of hij/zij kan niet, maar wil wel. Dat komt neer op het verschil in belang dat gehecht wordt aan intellectuele mogelijkheden en aan die andere factoren.
Tot op bijna elk niveau van presteren is een zeker tekort aan intellectuele mogelijkheden te compenseren met een tomeloze inzet en vice versa. Vandaar het dilemma van de onderwijzer. Maar de combinatie met de meeste perspectieven is natuurlijk die van een groot intellectueel potentieel én een enorme inzet. Zelfs iemand die alles aan komt waaien, moet altijd wel iets doen om iets te kunnen presteren. Als je echt wat wil bereiken, moet je hard werken, ook als je talent hebt. Dat is het gevolg van het feit, dat je op het gebied waarop je wilt uitblinken, expertise moet ontwikkelen. En hiervoor geldt de zogenaamde tienjaarsregeling: op elk gebied kost het iemand minstens tien jaar intensief bezig zijn met zijn interessegebied om de expertise te bereiken die nodig is om uit te kunnen blinken. Het is dus in alle gevallen een vorm van topsport.
Kun je nu op basis van schoolprestaties voorspellen dat iemand later ergens in zal uitblinken? Omdat de schoolsituatie in het voortgezet onderwijs erg lijkt op die in het basisonderwijs is het redelijk om aan te nemen dat kinderen die goed presteren op de basisschool dit ook goed zullen doen op de middelbare school. Maar tijdens de pubertijd gebeurt er natuurlijk wel een en ander met kinderen en dat kan zorgen voor veel afleiding. Je moet dan stevig in je schoenen staan om je te blijven concentreren op het doel om ook op de middelbare school goede prestaties te leveren. Als dat lukt ligt het voor de hand om te gaan studeren aan de Universiteit, tenzij je talent op een heel ander vlak ligt, bijvoorbeeld op het gebied van creatieve vakken. Iemand die goed is in de traditionele schoolvakken, zal echter doorgaans door willen leren en een studie kiezen.
De situatie aan de Universiteit wijkt echter nogal af van die op een middelbare school, ondanks de veranderingen die daar hebben plaats gevonden en ondanks het feit dat veel studenten over de Universiteit spreken als over 'school', Het belangrijkste verschil is dat er veel meer zelfstandigheid gevraagd wordt en veel minder controle wordt uitgeoefend op het doen en laten van studenten. Studeren vraagt discipline.
Per studierichting bestaan grote verschillen in het beslag dat er op de tijd van studenten wordt gelegd door verplicht onderwijs (colleges, werkgroepen, praktica etc.). Zo wordt je aan de Bètafaculteit en bij de studie Geneeskunde zo'n beetje de gehele dag bezig gehouden, maar bij de Gammastudies is dat veel minder en is het aandeel zelfstudie veel groter. Dat levert veel vrijheid en dus ook veel verleidingen.
Prestaties geleverd op de middelbare school zijn wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor studiesucces. Met een onvoldoende vooropleiding of zwakke eindexamenresultaten wordt studeren heel moeilijk, maar aan de andere kant blijkt dat veel studenten, waarvan op basis van hun vooropleidingresultaten verwacht mag worden dat zij succesvol studeren, dit niet doen. Met andere woorden, zij presteren onder hun niveau.
De beste voorspeller voor studiesucces tijdens de propedeuse blijkt bij de studie Psychologie dan ook niet het vooropleidingresultaat, maar het resultaat van het eerste propedeusetentamen. Het gaat hierbij zowel om het behaalde cijfer als om de getoonde inzet bij de voorbereiding. Een goed begin is het halve werk. Van meet af aan hanteert hiermee iemand voor zichzelf een bepaalde standaard, die als leidraad dient voor het vervolg. Dat propedeuseresultaat is redelijk te voorspellen, tenminste van de studenten die niet stoppen met de studie tijdens het eerste jaar, maar niet op basis van resultaten die behaald zijn vóór aanvang van de studie, zoals opleidingsniveau en eindexamencijfers (K. Meerum Terwogt - Kouwenhoven. Niet Gewogen, Toch Te Licht Bevonden, Academische Proefschrift, UvA, 1990)
Sommige studies worden beschouwd als moeilijke studies, zoals Bètastudies, andere als makkelijk, zoals Gammastudies. Voor moeilijke studies moet je behoorlijk aanpoten, ook als je goed bent in zo'n vak. V
an makkelijke studies is het gevaar dat ze onvoldoende uitdaging vormen; je kunt ze doen op je slofjes, maar erg bevredigend is dat natuurlijk niet. Er zijn binnen die studies veel keuzemogelijkheden, ook tussen makkelijker en moeilijker afstudeerprogramma's en cursussen, dus uitdagender opties zijn er na de propedeuse zeker wel. Op dit moment worden er bovendien voor goede studenten allerlei extra cursussen georganiseerd, het zogenaamde honours-programma. Maar ook als dat niet zo is, kan een student natuurlijk zijn eigen uitdaging creëren, bijvoorbeeld door zijn studie sneller af te ronden (wat niet vaak gedaan wordt) of door twee studies te doen (wat wel vaak gedaan wordt).
Een goede student moet dus hoge eisen aan zichzelf stellen en veel eigen initiatief nemen en natuurlijk gedisciplineerd studeren. Om in het gekozen vak uit te blinken is het ook niet onbelangrijk om je veelzijdig te ontwikkelen en dus ook andere dingen te doen dan die tot het gekozen vak behoren, zoals (onderdelen van) een andere studie of studies, zitting nemen in raden en commissies en werkervaring opdoen.
Wie een wetenschappelijke carrière ambieert, moet promoveren. Om voor een promotieplaats (AIO) in aanmerking te komen moet een bepaald Masterprogramma gevolgd worden en om daarvoor in aanmerking te komen moet het Bachelorprogramma met klinkende cijfers zijn afgerond.
Dat betekent dat iemand van het begin af aan hoog moet inzetten.
Iedereen die goede schoolprestaties heeft geleverd op de middelbare school kan in principe studeren. Maar voor een succesvolle studie is dus meer nodig dan dat je goed kan leren. In de huidige cultuur van 'een zesje halen is goed genoeg' wordt je, als je ambitie toont, snel beschouwd als een uitslover, maar daar moet je je niets van aantrekken. Je kunt beter op zoek gaan naar andere studenten met ambitie. Je moet vooral je eigen weg gaan en je eigen route uitstippelen en hard werken niet schuwen. Zelfstandigheid en onafhankelijkheid, gedisciplineerdheid en toewijding, nieuwsgierigheid en veelzijdige belangstelling zijn belangrijke bepalende factoren, maar ook een stimulerende omgeving. Soms krijg je die van huis uit mee, soms moet je ook die zelf creëren. Voor een briljante carrière heb je een goede planning nodig, maar ook een dosis geluk. Je hebt heel veel zelf in de hand, maar niet alles.
Het kind dat op de basisschool excellente prestaties levert, heeft een lange weg af te leggen naar een positie met aanzien en succes. Kinderen die al op jonge leeftijd weten wat ze willen, zijn daarbij in het voordeel, omdat ze zich al heel snel op iets bepaalds kunnen concentreren en er al hun aandacht aan schenken. Kinderen die lastig kunnen kiezen, hebben het moeilijker, omdat hun aandacht verdeeld is, maar kunnen ook nog veel bereiken als ze eenmaal gekozen hebben. Talent, aanleg, intellectueel vermogen of hoe je het wilt noemen, zijn dus niet voldoende om een briljante carrière te garanderen. Jarenlang hard werken is minstens net zo belangrijk.
Voor succes in de propedeuse van de studie Psychologie bleken in mijn eigen onderzoek inzet, time management, consciëntieusheid, regelmatig werken en tijd besteed aan de studie meer gewicht in de schaal te leggen dan vooropleidingniveau, eindexamencijfers en inhoudelijke kennis. In later onderzoek van Niels Smit (Academic Specializations Choices And Academic Achievement,. Academisch proefschrift, UvA, 2003) werd dit in grote lijnen bevestigd, maar bleek ook dat dit in veel mindere mate gold voor de studies Economie en Geneeskunde, terwijl de resultaten van de studie Communicatie Wetenschappen meer te vergelijken waren met die van Psychologie. Gamma-studies verschillen duidelijk van Bèta-achtige studies. Voor studiesucces is inzet in alle gevallen belangrijk, maar bij Gamma-studies is dit door de structuur van het studieprogramma geen vanzelfsprekendheid. Je kan dan iemand alleen maar extra aanraden zijn kansen te optimaliseren door discipline en hard werken, want dat is iets waar hij/zij zelf invloed op kan uitoefenen.
Katharina Kouwenhoven
