stichting cognitief talent
Het Panel 1997
Wat er met deelnemers aan de Toptoets gebeurde ...
Het panel 1997 (zomer 2006)
Inleiding
Naast het panel 1997 bestaat er ook nog een panel 1998, een panel 1999 en met ingang van 2005 tevens een panel 2004, uit een nieuw cohort dat naar het voortgezet onderwijs ging.
Studie en resultaten
Twintig panelleden bleven doen wat ze deden. Vier leden waren aan iets anders begonnen. Voor twee betekende het dat ze naast hun lopende opleiding een tweede studie gingen doen. Een lid had het voorgaande jaar een pauzejaar genomen. Een lid zwaaide om, van Personeel & Arbeid naar Organisatiewetenschappen.
De panelleden staan ingeschreven bij de Hogeschool Utrecht, de Haagse Hogeschool en bij 9 universiteiten (inclusief Nijenrode). De TU in Eindhoven, de UT, de VU, Wageningen en Nijmegen ontbreken in het panel. De meeste (5) panelleden studeren in Leiden, maar ‘meeste’ is een relatief begrip. In Maastricht lopen bijvoorbeeld 4 panelleden rond en in Groningen en Delft 3 leden.
Hoe zijn de resultaten vergeleken met het programma? Tweederde van het panel zegt bij te zijn (o.a. BA gehaald), waarbij een enkeling een kleine kanttekening plaatst (‘wel twee vakken nog niet’, ‘had BA kunnen halen’). Eenderde zegt achter te lopen, waarbij de maximale achterstand 1 jaar is. De overige lopen enkele maanden tot een half jaar achter. Een enkeling zegt achter te lopen, maar de genoemde achterstand is zo minimaal dat een ander in dat geval had kunnen zeggen bij te zijn. Er zijn blijkbaar preciesen en rekkelijken in het panel.
Alle panelleden voorzien dat ze hun studie zullen voltooien (‘daarom zit ik hier!’), waarbij enkelen zeggen dat ze na het BA (baccalaureaat) willen doorgaan met een andere MA (master). De vraag met welk diploma men de studie denkt af te sluiten, gaf enige verwarring. Enkelen melden dat dat het BA zal worden, maar geven tegelijk aan verder te gaan voor een MA. Het komt erop neer dat praktisch iedereen voorziet een master-titel te zullen behalen.
Enkele panelleden specificeren hun uiteindelijke diploma/bul (mr.-titel, artsexamen, register-accountant, verpleegkundige).
Is het slot van de tertiaire scholing het eind van de studie of wil men nog verder? Die vraag leverde dezelfde verwarring als de vraag naar het voltooien van de studie. Tweederde van het panel zegt ja op de vraag, maar bedoelt grotendeels dat men zit te denken aan omzwaaien naar een ander studie voor het MA-diploma. Verandering van richting is soms ook gekoppeld aan plannen voor een studie aan een andere universiteit, voor een deel ook nog in het buitenland. Een enkel panellid spreekt over een aansluitende studie aan het MA-diploma. Medisch specialist wordt dan genoemd, gespecialiseerde verpleegkundige of een nieuwe (aanvullende) studie beginnen, zoals Spaans of Journalistiek.
Aansluitend was er de vraag of men een deel van de studie in het buitenland wil volgen. Veertig procent beantwoordt dat met ja. De anderen zeggen hun studie in Nederland te willen voltooien (‘Ik heb hier te veel dingen lopen’), waarbij een enkeling het met spijt zegt (‘Studiegenoten waren in Ghana, een leuk land met een compleet andere cultuur’).
Wat bepaalde eigenlijk indertijd de keus voor een bepaalde studie/opleiding. Om te beginnen speelde in heel veel gevallen een specifieke of algemene interesse een bepalende rol. Men wilde dokter worden, had belangstelling voor rechten of de zinnen gezet op geschiedenis. Anderen waren bijvoorbeeld meer algemeen technisch geïnteresseerd en kwamen zo in tweede termijn tot een nadere keuze.
Bij een studie hoort ook een universiteit/hogeschool in een bepaalde
plaats. Speelde die plaats ook nog een rol bij de keuze? Voor enkele panelleden viel er niets te kiezen. Men koos voor een opleiding die maar in één stad is te volgen (in Groningen bijvoorbeeld en in Tilburg en met name ook in Delft).
In het algemeen is een opleiding in diverse plaatsen te volgen. Dan speelde in vele gevallen (meer dan eenderde) de nabijheid bij het ouderlijk huis een belangrijke rol. Zo kwam men bijvoorbeeld in Den Haag terecht en in Leiden, maar ook in Groningen.
Hoe gaat de ontwikkeling van de Toptoetsers na de basisschool verder? Wat gaan ze met hun talent doen? Om te kunnen beantwoorden tot wat uitblinkers op de basisschool uitgroeien, krijgen enkele panels uit de deelnemers aan de Toptoets jaarlijks een vragenlijst voorgelegd. Als eerste gebeurde dat met de deelnemers aan de Toptoets1997 (de 1e Toptoets; een kleine 200 deelnemers). Dit panel begon met 35 deelnemers die in 1997 de basisschool verlieten.
In 8 jaar kromp het panel geleidelijk in tot 27 leden.
In 2006 kreeg men de negende vragenlijst voorgelegd. Van 25 leden kwam de lijst terug. Een lid gaf aan niet langer mee te willen doen. Van een ander lid werd voor de tweede maal niets vernomen en die heeft zo het panel verlaten.
Het panel bestaat nu uit 10 (jonge) vrouwen en 15 (jonge) mannen. In eerdere samenvattingen werd nog gesproken over meisjes en jongens. De vragenlijst bevatte dit keer 10 vragen, gericht op onder meer opleiding, persoonlijke omstandigheden en kijk op de maatschappij, waarbij ook een vooruitblik op de verkiezingen van november 2006 aan de orde kwam.
Van de vragenlijsten uit eerdere jaren (1998 t/m 2005) is eveneens een samenvatting beschikbaar. Belangstellenden kunnen die samenvattingen zonder kosten per e-mail opvragen (info@toptoets.nl).
Van de 25 panelleden waren er in juli 2006 24 bezig met tertiair onderwijs. Het 25e lid behaalde zijn HAVO-diploma en gaat aansluitend een vervolgopleiding doen (HBO). Hij keerde terug naar school na eerst enige jaren te hebben gewerkt (beroepsmilitair). Met hem meegerekend volgen 23 panelleden een universitaire opleiding en 2 een HBO-opleiding.
Het grootste deel van het panel was naar het moment van de peiling (eind juni 2006) 3e-jaars student (16 leden) en ging zo in september 2006 naar het vierde jaar van hun opleiding. Vijf leden waren 2e-jaars en 4 waren 1e-jaars (inclusief de starter per september 2006).
De 25 panelleden volgen in totaal 18 verschillende studierichtingen. Psychologie komt nog steeds het meest voor (4x), gevolgd door rechten (3x) (waarvan in een geval 2 studierichtingen), geneeskunde (2x) en international business (2x). Daarnaast werden genoemd filosofie, technische planologie, lucht- en ruimtevaarttechniek,
werktuigbouwkunde, civiele techniek, taal en cultuur, university college, geschiedenis (en Engels), biomedische wetenschappen, bestuurskunde, planologie, verpleegkunde, organisatiewetenschappen en accountancy. Dit laatste panellid is de enige die een deeltijdstudie volgt (Nijenrode), naast een volledige baan. De overigen volgen een voltijdstudie aan een universiteit of een hogeschool.
Vergeleken met studiegenoten wordt het beeld (nog) positiever (‘propedeuse gehaald, veel jaargenoten niet’, ‘beter, alles in 1 keer gehaald, BA na 3 jaar’, ‘relatief hoge cijfers’, ‘hoogste gemiddelde’). Niet iedereen steekt volgens eigen zeggen boven de rest uit, maar het tendeert er wel naar. Slechts een enkel panellid dat achterloopt, zegt nu het slechter te doen dan de andere studenten (‘moet jaar overdoen’, ‘afgelopen jaar was ondermaats’, ‘helaas heb ik ook dit jaar mentale gezondheidsproblemen gehad, dus niet al mijn vakken gehaald, maar de vakken die ik gedaan heb, heb ik goed gedaan, ook vergeleken met mijn jaargenoten’).
Het jaar van afstuderen varieert, ook al omdat de panelleden in verschillende studiejaren zitten. Het eerste eindjaar is 2006. Dat geldt dan voor leden die een BA
hebben behaald. Het laatste jaar dat wordt genoemd is 2012 (artsexamen). De meeste genoemde jaren zijn 2008, 2009 en 2010.
Voor degenen die ja zeggen is het voor sommigen een verplicht onderdeel. De rest doet het uit zichzelf. Men denkt aan Engeland (‘beroemde universiteiten als Oxford of Cambridge’), de Tropen, Zuid-Amerika, Madrid.
Een enkeling heeft al een tijd in het buitenland gestudeerd (Stockholm, Austin, Texas), maar voor het overgrote deel van het panel is qua studie het buitenland dus nog onbekend.
Een klein deel van het panel koos een studie die nog veel mogelijkheden open liet. Rechten en psychologie worden dan genoemd (hoewel die studies, weliswaar minder, ook echte in het vak geïnteresseerden trokken; ‘Ik wilde mensen helpen’).
Tot slot zijn er enkelen die tot een studie kwamen via een beroepskeuze/interessetest (‘Wist van het bestaan van deze studie niet’).
Een gestructureerde aanpak (in Utrecht en in Maastricht) was voor een enkeling een trekker. En datzelfde gold voor het avontuur van de grote stad (Amsterdam).
Leiden, Maastricht en Groningen kregen ook nog het predikaat ‘leuk’ en het feit dat men ergens al vrienden had studeren was ook een factor bij de keuze.
Biedt de studie wel voldoende uitdaging of zou de opleiding voor extra stof moeten zorgen? ‘Meer dan voldoende, het is super interessant’, vertolkt iemand de mening van velen. In het algemeen is men tevreden over het niveau. Wie extra dingen wil, kan die vrij gemakkelijk zelf vinden (‘Ik zorg zelf wel voor verzwaring’, ‘Ik ga een honoursprogramma doen’).
De vraag geeft ook aanleiding tot het spuien van enige kritiek. Het is soms wel erg veel stampen en met meerkeuzevragen kun je niet goed laten zien wat je allemaal weet. Praktijkervaring (bij de opleiding verpleegkundige) zou ook een grotere rol mogen spelen (en doet dat ook voor studenten die later zijn begonnen). ‘Niet alles is even aantrekkelijk’ verpakt zegt iemand en dat vinden er dus meer.
Dan is er nog een enkeling die met enige ongerustheid zegt dat het niet veel zwaarder moet worden,. Het overgrote deel van het panel lijkt zich echter over de zwaarte (dan wel lichtheid) van de studie geen zorgen te maken.
Het leven zelf
De woonsituatie is ten opzichte van de vorige vragenlijst niet echt anders geworden. Nog steeds woont ongeveer een kwart van het panel nog thuis (‘lekker bij ouders’) of soms weer thuis ( ‘tijdelijk bij ouders; wel wennen na 3 jaar studentenhuis’). Er is het panellid dat samenwoont en een ander die zegt dat van plan te zijn. Degenen die op zichzelf wonen, laten zien welke variaties er mogelijk zijn. Men woont op kamers, of in een studentenhuis (al dan niet van een vereniging en al dan niet met weinig of velen). Men heeft een eigen huis of een huis samen met enkele vrienden. Iemand woont (tijdelijk) in een sloopwoning (‘zou voor geen goud terugwillen naar huis’). Anderen wonen als anti-kraakwacht. Alleen de klassieke situatie van een student(e) met een hospita wordt niet genoemd.
Wil men eigenlijk blijven waar men nu woont? Het antwoord is overwegend nee. Degenen die in een studentenstad op kamers wonen, zeggen deels dat ze weg zullen trekken naar de plaats waar ze een baan zullen vinden. Er zijn er ook die zeggen dat ze in het geheel niet in een universiteitsstad willen blijven wonen. Leiden komt dan negatief uit de bus (‘Simpel te duur’, ‘Nee nooit, met die grauwe uitstraling’) en ook Maastricht (‘Weinig werk en Hollanders niet populair’, ‘na studie terug naar Randstad’).
De Randstad wordt vaker genoemd vanwege het feiten dat daar de banen zijn te vinden. Amsterdam wordt apart genoemd vanwege de aanlokkelijkheid van de grote stad.
Degenen die zeggen ergens te willen blijven wonen, voeren vooral aan dat men er familiebanden heeft of er geboren en getogen is. Zo is Den Haag voor de een een stad om te blijven, terwijl een ander juist (weer) weg wil.
Niemand schrijft over vertrekken uit Nederland. Dat valt op. Nu was de vraag ook of men wilde blijven in de plaats waar men nu woont, maar toch zou je verwachten dat er panelleden zouden zijn die over het buitenland waren begonnen.
Ging verder alles naar wens of ontmoette men tegenvallers op zijn en haar weg en teleurstellingen? Het grootste deel van het panel spreekt zich positief uit (‘Het ging top; wel vervelende beslissingen moeten nemen door feesten e.d. radicaal te verminderen’, ‘Zes weken rondgereisd in Bolivia en Peru, Super!’, ‘Alles naar wens; studie alles gehaald; veel vriendschappen’, ‘Het afgelopen jaar ging het best goed. Ik ben bij een pleitgenootschap gegaan wat me veel heeft opgeleverd qua praktijkervaring en sociale contacten’).
Enkele panelleden maken kanttekeningen bij een verder positief verhaal (‘Zwaar jaar met bergen werk en minder spectaculair resultaat’, ‘Academisch gezien heb ik weliswaar een dubbele bachelor gehaald en de alumni award van mijn jaar in de wacht gesleept voor alle commissies die ik gedaan heb, maar ik heb nergens echt hard voor gewerkt. Dit geeft een beetje een leeg gevoel, of misschien een schuldgevoel’)
En dan zijn er enkele panelleden die een slecht jaar hadden door ziekte en één door liefdesverdriet (‘Inhet begin van dit jaar een beetje een rotperiode gehad vanwege de liefde. Het ging voorbij met mijn toenmalige vriend. Hier kon ik helemaal niet mee omgaan, zag niks meer zitten’). Het verdriet ging alsnog voorbij. Ook de zieken gingen zich - gelukkig - weer beter voelen (‘Ik kreeg helaas, na al
eerder vergelijkbare problemen te hebben gehad, weer last van zware depressie. Dit heeft mijn jaar erg moeilijk gemaakt. Gelukkig heb ik goede hulp gekregen en heb ik al 3 maanden geen last meer van depressieve klachten. Hopelijk deze keer voor definitief’, ‘Ik ben in de zomer erg ziek geweest, en heb daarom mijn vervolg MSc een jaar uit moeten stellen. Tot nu toe heb ik nooit echte tegenslagen gehad dus dit was wel
moeilijk om mee om te gaan’, ‘Doordat ik net voor Kerst een blindedarm ontsteking kreeg, die met complicaties uiteindelijk tot eind januari duurde, heb ik veel van mijn tentamens in januari gemist en daardoor een flinke studie-achterstand opgelopen. Ook persoonlijk was die tijd, met kerstnacht geopereerd worden en kerst in het ziekenhuis vieren, niet erg leuk. Sinds ik weer gezond ben gaat het echter weer prima met mij’).
Is het panel ambitieus of laat men de dingen gewoon op zich afkomen? De overwegende reactie is dat men ambitieus is en meestal ook meer dan de mensen om hen heen. Diverse panelleden maken overigens de kanttekening dat hun studie- en huisgenoten eveneens ambitieus zijn (‘we willen allemaal ons diploma halen’). Er komen opmerkingen als ‘Ja, absoluut’, ‘Zeker weten’, ‘Ik heb een goed idee van wat ik later wil bereiken en doe nu al zoveel mogelijk om mezelf later kansen te geven’.
De schooltijd ligt nu al weer enige tijd terug voor het panel. Blikt men ook nog wel eens achteruit. Bezoekt men de reünie van de oude school en zijn er nog contacten met schoolgenoten? Voor een reünie vindt deze en gene het nog een beetje te vroeg (‘nog pas 3 jaar geleden van school’), maar tegelijkertijd zijn er ook panelleden naar een reünie en zelfs gala geweest. Voorlichting over de studie aan de huidige schoolverlaters is ook een voorbeeld van contact met de oude school. Een panellid spreekt ook over contact onderhouden met een lerares, naast contact met oude klasgenoten. Maar het grootste deel van het panel heeft de oude school voorlopig gelaten voor wat die was. Dat heeft dan betrekking op de school voor voortgezet onderwijs. Over de basisschool hoor je eigenlijk niemand, op een panellid na dat zegt via Hyves ook nog contact te hebben met schoolgenoten uit die levensfase.
Contact met oude klasgenoten en schoolgenoten buiten de school van vroeger om is er wel, van zeer hecht tot infrequent. De een pokert met oude maten of men drinkt wat met elkaar. De ander heeft er nog steeds zijn beste vrienden/vriendinnen onder. Een enkeling ziet niemand meer (‘ik verveelde me op het v.o.‘) en soms hoort men via de ouders hoe met schoolgenoten verder gaat. Voor veel panelleden lijkt het sociale leven zich vooral te concentreren op studiegenoten. Vriendschappen van het voortgezet onderwijs blijven zoals gezegd echter in allerlei intensiteit en frequentie bestaan.
De maatschappij
Enkele andere panelleden zijn uitgesproken negatief (‘Beduidend slechter. Jongeren worden door de maatschappij sowieso al in een verdomhoekje geplaatst, intussen mogen we wel belasting betalen maar vertikt de overheid om ons er iets voor terug te geven’; ‘Ik vind dat er absoluut te weinig financiële middelen in het universitair onderwijs gestoken worden. Studenten kunnen tegenwoordig nauwelijks nog de eindjes aan elkaar knopen, er wordt alleen maar bezuinigd en bezuinigd. Ik heb aan het begin van dit jaar voor 350 euro aan boeken moeten kopen, en dat is slechts voor 8 weken, daarna mag ik weer zo’n mep geld gaan uitgeven.’)
Dan zijn er panelleden die geen echt groot verschil zien (‘Moeilijk vergelijkbaar’) en ook panelleden die geen uitgesproken mening hebben, bijvoorbeeld omdat ze zich tot het hier en nu van het studentenleven beperken of stellen dat het meer aan jezelf ligt of je kansen krijgt dan aan de maatschappij (‘Ja ik heb voldoende mogelijkheden om dat te bereiken wat ik wil bereiken. Ik denk dat als je hard genoeg werkt, dat je dan bijna alles kan bereiken wat je wilt’; ‘De maatschappij biedt mensen van mijn leeftijd voldoende kansen. Je moet ze alleen wel zelf grijpen en er zelf voor gaan’).
Hoe kijkt men verder tegen het maatschappelijk klimaat aan? Er is iets mis met de maatschappij vindt iets meer dan de helft van het panel. De overigen zijn in meer tot mindere mate tevreden(‘In het algemeen ben ik tevreden, zo tevreden dat ik eigenlijk nooit zo stilsta bij het huidige maatschappelijke klimaat.’). Deels is men ook tevreden, omdat men naar eigen zeggen in het studentenwereldje leeft en zich daar grotendeels toe beperkt (‘Tevreden, ook al interesseer ik me momenteel er niet heel veel in. Ik leef in een wat dichtgetikte kleine studentenwereld. Hiervan ben ik me bewust en vind het ook helemaal niet erg. Na mijn studie open ik mijn visie weer wat meer, maar voorlopig geniet ik van mijn kleine leuke wereld.’). De tevredenheid is soms aan de dunne kant. Het moet niet veel harder worden in de maatschappij, we moeten uitkijken voor keihard individualisme.
Er hangt naar de mening van sommigen ook dreiging in de lucht (‘Nee, ik vind het maatschappelijke klimaat harder geworden; ieder voor zich. Vooral na de terroristische aanslagen vertrouwt niemand meer elkaar voor de volle 100%’; ‘Er zou meer verdraagzaamheid moeten zijn. Ik stoor me erg aan mensen die roepen dat er een einde moet komen aan de verharding van de maatschappij maar tegelijk meer blauw op straat willen. Ik krijg steeds meer het gevoel dat mensen eigenlijk erg dom zijn en gemakkelijk te beïnvloeden en daar wordt ik erg droevig van.’).
Ook wordt er volgens panelleden veel klakkeloos voor waar aangenomen, waardoor veel mensen elkaar napraten en er vaak argwaan en haat wordt gezaaid die nergens op gebaseerd is.
Zou de maatschappij erop vooruitgaan als de burger meer inspraak zou krijgen? Het panel is het daar bijna volledig (hartgrondig) mee oneens. Inspraak frustreert, vertraagt en leidt tot instabiliteit. De burger is vaak onwetend en blijft vaak ook nog eens thuis bij verkiezingen. De politici zouden wel meer verantwoordelijkheid moeten nemen en het volk zou beter geïnformeerd moeten worden over belangrijke zaken. De afkeer en van of tegenzin tegen meer inspraak sluit dus kritiek op volksvertegenwoordigers niet uit, maar er zijn ook diverse panelleden die zeggen dat ze tevreden de bestuurlijke stand van zaken.
Ten tijde van het rondzenden van de vragenlijst waren er verkiezingen voor de Tweede Kamer in aantocht. Welke partijen zag het panel graag in de nieuwe regering? Het uiteindelijke resultaat werd door niemand genoemd. De Christen Unie speelde geen enkele rol in de antwoorden, behalve dat een panellid André Rouvoet wel zag zitten als premier. Hetzelfde gold voor Jan Peter Balkenende en Wouter Bos, hoewel er gelijktijdig panelleden waren die juist hoopten dat geen van deze beide politici premier zou worden.
Slechts enkele panelleden geven aan niet echt ambitieus te zijn, soms met enige spijt (‘Zou wel leuk zijn’).
Hoe ziet het panel zijn kansen en hoe verhoudt zich dat tot de kansen van andere generaties? Iets meer dan de helft van het panel is alleen maar positief gestemd over wat de maatschappij te bieden heeft (‘Niks te klagen’). De kans op een (goede) baan is groot, deels als gevolg van de toenemende vergrijzing. Zeker voor hoog opgeleide mensen ziet het er op de arbeidsmarkt beter uit. De technologische vooruitgang maakt het leven ook aangenamer. Enkele panelleden maken bij een positief toekomstbeeld ook kanttekeningen (‘Hogere druk’, ‘Ja, maar je moet er ook meer voor doen. Het wordt je niet gemakkelijk gemaakt’).
De ontevredenen zijn deels meer zorgelijk dan ontevreden. De mensen zijn te oppervlakkig, er is te weinig tolerantie, de mensen zijn te snel ontevreden, de mensen klagen te veel en denken niet na over een alternatief. Andere panelleden ergeren zich sterk aan het optreden van de mensen in het algemeen of bijzonder, bijvoorbeeld aan politici (‘Politici kunnen tegenwoordig alles maar doen, zonder dat er grenzen zijn. Vrijheid van meningsuiting is het allerbelangrijkst, zonder dat er wordt gekeken naar of er mensen worden beledigd. Je kunt als land een ander land binnenvallen zonder dat de internationale politiek dat afkeurt of zelfs bestraft. Ook burgers vinden alles maar goed’; ‘Het huidige maatschappelijke klimaat is vrij grimmig. Er wordt veel kritiek op anderen geleverd, hoe anderen leven, doen en vooral ook wat zij niet doen. Veel mensen staan weinig stil bij de eigen verantwoordelijkheid die zij dragen. Er wordt teveel van uit gegaan dat een overheid wel met een oplossing moet komen voor al onze problemen.’).
Het overgrote deel van het
panel had een voorkeur voor een centrum-links kabinet, hoewel er ook leden waren die VVD-CDA liefst zagen regeren, of in ieder geval niet de PvdA of juist niet het CDA. Voor een echt links kabinet was slechts een enkeling geporteerd. Rechtse partijen als de PVV en de
LPF werden alleen in negatieve zin genoemd. D66 kwam één keer naar voren (‘Ik denk dat ik het liefst PvdA, CDA, D66 zie. Hahaha voor D66, ik weet het, maar ze hebben een paar goede ideeën en ze zijn verder de ideale onschuldige vullertjes. De VVD vind ik over het algemeen te rechts;- hun liberale kant is mooi maar er zitten ook veel conservatieven bij en die zie ik dus liever niet. GroenLinks en SP zijn te links, en doen het beter als oppositiepartij omdat ze dan net kunnen blijven doen of hun beleid ook echt haalbaar is als ze maar zouden regeren’).
En dan zijn er ook panelleden die geen uitgesproken mening hebben of juist wel, maar die moeilijk in coalitietermen is samen te vatten (‘Daar heb ik eigenlijk niet zo over nagedacht. Ik zal altijd zijn voor een coalitie die meer geld wil investeren in onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De veiligheid waar men zo op hamerde is ook maar gebakken lucht. Met particuliere beveiliging in de tram wordt het er ook niet veel gezelliger op. Een beetje een George Orwell gevoel krijg ik dan. Nee steek maar wat meer tijd en geld in opvoeding en scholing, dan pak je het probleem aan bij de bron. Ik zie niet snel een coalitie ontstaan, met de huidige slappe hap aan politici, die wat fundamenteels aan de attitude van de Nederlandse samenleving kan doen.’)
Een verkozen premier vindt praktisch niemand een goed idee. Dat levert maar populistisc gedoe op, je krijgt dan Amerikaanse toestanden, alleen de charme geldt en de boodschap komt in het gedrang. ‘Klinkt goed’, zegt toch nog iemand, maar anderen zeggen juist dat het bestuurlijk wringt, behalve misschien als je de bevoegdheden anders scheidt, bijvoorbeeld zoals in Frankrijk tussen president en premier.
Waar zou de regering onder aanvoering van de premier echt aandacht aan moeten besteden? De panelleden konden drie hoofdzaken noemen als beleidspunten. Er kwam een baaierd van een kleine 25 zaken naar voren, met Onderwijs en Gezondheidszorg als duidelijke uitschieters. Die beide zaken verdienen de prioriteit. Maar verder werden ook meerder malen genoemd integratie en immigratie, kenniseconomie, de sociale zekerheid, Europa en de internationale betrekkingen, de kenniseconomie, het milieu. Met het panel als regering zou het een uitgebreid regeringsprogramma zijn geworden. Sommige panelleden kwamen ook nog met specifieke zaken als gratis openbaar vervoer, afschaffen van landbouwsubsidies en aandacht voor de positie van de Randstad. De nadruk op verbieden, controleren, opvoeden en in de pas lopen die het nieuwe kabinet uitstraalt, kwam in het geheel niet naar voren.
Eindindruk
Het panel is druk met bezig met de studie en met heel behoorlijke resultaten in het algemeen. Grote zorgen zijn er niet, wat niet uitsluit dat een mens abrupt narigheid en rampen kunnen overkomen. De kijk op de maatschappij klinkt in het algemeen verstandig en weloverwogen. Het panel heeft een hekel aan populisme en extreme standpunten, maar ook aan gezagsdragers die te veel hun eigen agenda volgen en het volk niet goed informeren. Blijft Nederland wel een aardig land om in te wonen? Voorlopig wel lijkt het, maar hier en daar klinken twijfels.
(samenvatting gemaakt door Theo Capel)
