Het Panel 1999

 

 

 

 

Wat er met de deelnemers aan de Toptoets gebeurde ... 

 Het  panel 1999 wordt zelfstandig (voorjaar 2006)

(samenvatting nr. 99-7)

 

1. Inleiding

Dit is de 7e samenvatting van de antwoorden op de jaarlijkse vragenlijst (uit 2006 dit keer) voor het panel van Toptoetsers uit 1999. Het panel begon in het jaar 2000 met 44 leden. In 2006 was de omvang teruggelopen tot 33 leden. Hiervan reageerden er uiteindelijk 25. Drie leden lieten voor het tweede jaar niets van zich horen en verlieten zo het panel. Van vijf anderen kwam voor het eerst geen reactie. Zij worden in 2007 opnieuw aangeschreven.

Jaarlijks zitten er deels dezelfde soort vragen in de lijst en deels nieuwe. Zo kreeg men vragen over studieprestaties en over welbevinden. En zo was er een vraag over emigreren en over de verkiezingen. In totaal waren er 11 vragen.

De bevraging van het panel 1999 maakt deel uit van een groter panelonderzoek, dat ook nog bestaat uit een panel 1998 en 1997. Sinds 2005 is er een nieuw panel bijgekomen, uit de Toptoetsers van 2004, om te zien hoe het een nieuw cohort scholieren in het voortgezet vergaat.

2. School en schoolprestaties

Van de 25 panelleden volgden er 21 het eerste jaar van een studie (20 aan een universiteit, 1 aan een hogeschool). Twee leden deden eindexamen vwo en 2 leden verbleven in het buitenland (een jaar highschool in Texas; rondreizen door Nieuw-Zeeland).

De studenten stonden ingeschreven bij 13 verschillende instellingen, namelijk 11 universiteiten, een apart onderdeel van een universiteit (Roosevelt Academy in Middelburg) en een hogeschool (Utrecht). Van de universiteiten werden alleen de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Maastricht niet genoemd. Vier panelleden studeerden aan de Universiteit Leiden (UL), waarvan 3 geneeskunde (alle drie een meisje). Een panellid volgde een studie die in samenwerking tussen de UL en de Technische Universiteit Delft wordt gegeven (Sustainable Molecular Science & Technology; SMST).

De studenten volgden 16 verschillende studies, nl. SMST, Lucht- en Ruimtevaart  Techniek, Geneeskunde, Communicatie Wetenschap, Natuurkunde (met Sterrenkunde)/Natuurwetenschappen, Rechten, Civiele Techniek, Liberal Arts, Bewegingswetenschappen, Organisatiewetenschappen, Journalistiek, Cognitieve Kunstmatige Intelligentie, Kunstgeschiedenis, Biomedische Wetenschap, Bouwkunde en een niet-nader aangeduide studie (Wageningen).

Een panellid zwaaide in het eerste jaar om van SMST naar Civiele Techniek. Een ander panellid begon op een hogeschool, maar stapte al snel over naar een universiteit. Drie anderen gaven aan om te zullen zwaaien (van Biomedische Wetenschap naar Geschiedenis; van Journalistiek naar Internationale Communicatie; van Bouwkunde naar Bedrijfskunde). In het laatste geval betekende dat ook een verandering van universiteit (van de Technische Universiteit Eindhoven naar de Universiteit Twente).

Een van de 2 studenten Bewegingswetenschap gaf aan dat  zij voor een tweede keer was uitgeloot voor de medicijnen, de studie die ze echt wilde volgen.

De drie startende studenten (in september 2006) kozen voor Romaanse talen (Frans), Chemische Technologie en Diergeneeskunde.

Is men bij met de studie? Het overgrote deel van het panel antwoordt hierop bevestigend (‘Alles in 1 keer gehaald’; ‘Iets meer uitdaging mag’). Degenen die achterlopen, moesten meestal slechts enige herkansingen doen. Eén panellid meldde nog niet voor het hoofdvak te zijn geslaagd.

Van de panelleden die met de studie beginnen, meldde er een dat voor de wiskunde instaptoets slechts 1 van de 80 studenten slaagde (het panellid evenmin tot zijn spijt).

Vergeleken met de medestudenten vallen de prestaties goed uit. Men spreekt veelal van ‘hooggemiddeld’ tot ‘zeer goed’ (‘Zeer goed. Slechts 24% van de eerstejaars studenten haalt zijn “p” in 1 jaar, en ik heb ook nog erg hoge cijfers’). Een klein deel van het panel zegt ‘gemiddeld’. Slechts in één geval loopt men achter. De panelleden die herkansingen moeten doen, blijken in ieder geval niet minder te presteren dan medestudenten.

Zijn er zaken aan de studie die anders geregeld zouden moeten worden. Tweederde vindt van niet, met hier en daar een kleine opmerking erbij (‘Maar wel een vol programma’; ‘Wat gebrekkige communicatie’). Eenderde van het panel heeft suggesties en kritiek. Dat heeft deels betrekking op de organisatie (blokindeling, aard tentamenvragen, samenhang rooster, meer begeleiding gewenst) en deels op de inhoud (samenhang tussen vakken slecht, veel te veel nadruk op praktijkopdrachten, colleges zouden dieper op de stof moeten ingaan). Een panellid heeft het idee dat men het eerste jaar te zwaar aanzet (‘Het valt mij op dat men in het in het eerste studiejaar sterk probeert mensen te ontmoedigen om verder te gaan. Door het eerste jaar heel zwaar te maken - voor sommige vakken is het alleen maar “stampen” - hoopt men de “losers”, de minder gemotiveerden, kwijt te raken voor het tweede jaar. Ik begrijp dit standpunt, maar ik vind het natuurlijk erg jammer dat het eerste jaar op veel punten zo onaantrekkelijk wordt gebracht. Ik wil heel graag verder gaan met deze studie, maar erg leuk wordt het zo natuurlijk niet! Ook de organisatie, duidelijkheid op sommige punten, hoe je dingen moet regelen, vinden, laat te wensen over op mijn universiteit, naar ik heb gehoord niet alleen bij mijn opleiding, maar op de hele universiteit’).

Waarom koos men eigenlijk voor een bepaalde instelling? In diverse gevallen was er geen keuze, omdat het vak slechts op één plaats wordt gegeven (bijvoorbeeld Diergeneeskunde, L&R en studies in Wageningen). Als de studie er kan, goed staat aangeschreven en de stad ook nog eens als leuk/prettig/aardig wordt gezien is de keus snel gemaakt of volgt die na afstrepen (‘Ik wilde natuurkunde gaan studeren, dit wordt aangeboden in Leiden, Amsterdam, Utrecht, Nijmegen en Groningen. Ik wilde niet naar Amsterdam, Groningen was te ver, en ben dus naar open dagen in Leiden, Utrecht en Nijmegen geweest. Leiden sprak mij het meeste aan, dus die is het geworden’; ‘De mogelijkheid om na m’n bachelor Frans, een master journalistiek te doen. Dat lijkt me een hele leuke masteropleiding, want ik vind schrijven erg leuk. Deze master kan ook in Rotterdam en Amsterdam, maar ik wil niet naar de randstad. Ik houd meer van rust dan van filerijden, dus leek Groningen mij de meest geschikte stad. Bovendien wonen een aantal vrienden van mij in Groningen, dus dat is erg gezellig!’).

Bereikbaarheid van het ouderlijk huis speelde in enkele gevallen ook mee. Vaak is het een combinatie van diverse factoren die de doorslag geeft, waarbij de reputatie van de opleiding en het aantrekkelijke van de stad de voornaamste zijn. Leiden wordt wat dat laatste betreft het vaakst genoemd.

 

3. Het leven zelf

Het merendeel van het panel zegt dat het ‘heel goed’ tot ‘goed’ met hen gaat. Dat is hetzelfde beeld als in 2005, maar 2006 is wel een jaar van verandering doordat praktisch iedereen de overstap naar een studie maakte (‘wel een memorabel jaar’; ‘Heb een hoop nieuwe vrienden gemaakt en toch het contact met mijn oude niet verloren, ben lid geworden van een studentenvereniging, ben van hockeyclub gewisseld, nieuwe studie begonnen enz. enz. Das best wat toch? Eindresultaat: Het gaat heel goed met me, heb me volledig in het studentenleven gestort, and  i like it.....’). De overstap naar een studentenbestaan was overigens voor een enkeling ook iets waaraan men terdege moest wennen, voordat de leuke kanten begonnen te overwegen, maar in het algemeen is men positief ingesteld (‘Het gaat wel goed, veel vrienden en weinig zorgen! Hier is niet veel veranderd!’; ‘Wat betreft veranderingen: de stap van de middelbare school naar de universiteit, en later ook van thuiswonend naar op kamers, is een grote, en dus ook voor mij. Ik ben zelfstandiger geworden, en wat assertiever en impulsiever dan vorig jaar. Toen was ik erg bedenkend en iemand die alles van tevoren plande. Dat ben ik nog steeds wel, maar ik doe meer dingen in een impuls, meer op het gevoel af, en tot nu toe is dat erg goed uitgepakt’).

Een enkel panellid zegt dat het matig gaat, met name doordat ouders uit elkaar gaan of gingen. En dan zijn er narigheid en rampen die een mens kunnen overkomen. Drie panelleden maakten melding van ernstige sportblessures (enkel gebroken, voorste kruisband gescheurd, knieoperatie) die het leven verstoren. Ziekte en dood werden ook door enkele panelleden genoemd (moeder met borstkanker, buurvrouw overlijdt, huisgenoot op vakantie overleden). Een panellid maakt zelfs melding van 3 overlijdensgevallen achter elkaar. Het zijn zaken die moeilijk zijn te incasseren, maar de betrokken panelleden behouden tegelijkertijd een positieve blik op het leven.

De vrije tijd van het panel blijft goed gevuld, voor diverse leden ook met werken/baantje, hoewel, zoals me zelf zegt, je dat eigenlijk geen vrijetijdsbesteding kan noemen. Het kost natuurlijk naast de studie wel tijd die van de vrije tijd afgaat. Veel panelleden noemen 3 tot 4 activiteiten die hun leven naast de kleuren. Soms zijn het er zelfs meer (‘Pianospelen, dansen, zeilen, computeren, lezen, uitgaan, vrienden bezoeken, wandelen, koken, fietsen, hardlopen’; ‘Werken, leuke dingen doen, beetje studeren, beetje uitgaan, beetje shoppen, beetje sporten, van alles wat’). Er zijn ook enkele panelleden die veel tijd aan één activiteit besteden. Dan gaat het om sport (volleybal, dammen, handbal; hoewel dit laatste tijdelijk niet door een ernstige blessure). Sport komt verder in allerlei vormen ook bij de opsommingen terug. Men schaatst,  badmintont,  roeit, tennist en turnt onder meer en natuurlijk wordt er ook gevoetbald. 

Het sociale leven slokt voor de meeste panelleden de meeste vrije tijd op. Gewoon rondhangen met vrienden, lol maken met huisgenoten, uitgaan en ook shoppen zijn de meest genoemde zaken. Dan is er dus sport en als nummer drie komt de computer. Muziek maken volgt dan op enige afstand

Diverse panelleden noemen een activiteit waarin zij de enige of praktisch de enige in het panel zijn. Men speelt bijvoorbeeld viool, organiseert shows met vloeibare stikstof, danst en zingt en houdt zich bezig met gemeentepolitiek. Lezen en tv kijken komen niet echt veel aan bod, maar rustig in je eentje iets doen is op zich wel een zaak die diverse panelleden noemen (‘Aan mijn werk voor de reiscommissie van mijn studievereniging, aan dansen&toneelspelen, aan vrienden en familie, aan avondjes voor mezelf met een kopje thee voor de televisie’).

De vraag of men ergens trots over is, leidde ook dit keer tot veel bevestiging. Tweederde van het panel kwam met een of meer voorbeelden in dit verband en eenderde gaf dus aan dat dat niet voor hen gold (‘Ik ben niet zo gauw trots op mezelf’; ‘Niets bijzonders’; ‘Rustig aan gedaan dit jaar’).

De leden die wel trots over waren, noemden meestal één zaak, maar soms ook twee. In zeer veel gevallen was men trots op zijn of haar studieresultaten. De propedeuse werd in 1 keer gehaald, en met goede cijfers. Iemand wist een bindend studieadvies (oftewel afwijzing) te vermijden door bij herkansing alsnog te slagen. Soms haalt men zelfs goede cijfers, terwijl de inspanning niet echt groot is.

Ook goede prestaties op andere gebieden worden genoemd (‘Ik was vrij trots op mijn derde plaats bij het NK sneldammen voor junioren. Ik had mij dit jaar niet geplaatst voor het dammen met normaal tempo, waar ik altijd iets bedrevener in was, en dat was een fikse teleurstelling. Ik had niet verwacht dat ik opeens zo goed kon presteren op een onderdeel dat me eigenlijk niet lag, met in mijn achterhoofd de mislukte plaatsingswedstrijden’). En dan zijn er tal van andere zaken die worden gemeld. Men loopt hard, soms tegen heug en meug, om zijn conditie te verbeteren. Men heeft een vakantie voor arme kinderen helpen organiseren. Men heeft gewerkt om geld voor een uitwisseling op te kunnen brengen. En men is er trots op dat men zelfstandig als student door het leven kan (‘Ik doe alleen maar dingen waar ik me goed bij voel, werk sinds kort bij Party Company. Voor bedrijfsfeesten en thema-avond, dinershows. Daar voel ik me helemaal happy bij en mijn studie gaat ook goed. Ik ben eigenlijk trots op heel de situatie dat alles zo lekker gaat!’; ‘Dat ik m’n leventje weer op orde heb, en wat lekkerder in mijn vel zit!’).

Was het een memorabel jaar? Het overgrote dele van het panel zegt van wel. Vooral de entree in studentenbestaan met bijvoorbeeld lid worden van een gezelligheidsvereniging en de soms bijbehorende ontgroening wordt door diverse leden genoemd. Ook het eindexamenfeest en vakanties (van zeilinstructeur in eigen land tot aan Singapore toe) zullen menigeen bijblijven. Iemand had geluk in het spel (‘Ik heb 1000 euro gewonnen met een pokertoernooi, zoveel geluk zal ik in m’n hele leven niet meer hebben. Daarnaast zal ik de training waarin mijn enkel brak nooit vergeten, net zoals het bijstaan van mijn beste vriend toen zijn vader een hersenbloeding kreeg’).

Zoals uit de reactie van dit gelukkige panellid bleek, waren het niet alleen leuke dingen die men meemaakte en die men zich zal blijven herinneren. De liefde zat bijvoorbeeld tegen en ook andere zaken, soms zelfs allebei (‘ik ben weer uitgeloot voor geneeskunde. En op persoonlijk gebied ook, want na 2,5 jaar is m’n relatie in ‘t slop geraakt’). Ook de al eerder aangehaalde gevallen van overlijden komen bij deze vraag terug.

In positieve zin noemen twee panelleden nog hun eerste bezoek aan Lowlands (los van elkaar).

  

4. Plannen, Ideeën en Opvattingen

Is het panel met de toekomst bezig in de zin dat men al een paar jaar aan het vooruitdenken is? In overwegende zin zegt men dat het niet het geval is. Men beperkt zich tot het hier en nu, men ziet wel wat er gebeurt. Het pakt toch anders uit dan je denkt. Je leert meer van tegenslagen die je onderweg tegenkomt dan van vooruitdenken. Zo zijn de reacties samen te vatten.

Als men al over de toekomst nadenkt, dan gaat het met name over de studie. Wat zou men voor een specialisatie willen kiezen, zou men in het buitenland willen gaan studeren? Dat soort vragen stelt een enkeling zich nu al wel. Zaken als een baan, huis, gezin spelen op dit moment nog niet in de hoofden rond. De toekomst geeft ook eerder aanleiding tot dromen dan tot denken (‘Ik denk niet zover vooruit’; ‘Ik probeer wel eens vooruit te denken, maar het komt toch altijd anders dan dat je voorspelt. Dus ik heb het opgegeven en leef zoveel mogelijk met de dag!’).

Als het gaat om zaken die men één jaar wil hebben bereikt, ontstaat er een iets ander beeld. Tweederde van het panel zegt zo’n doel voor ogen te hebben. Het overige deel antwoordt gewoon met ‘nee’ of zegt door te gaan met de zaken van dit moment en wel te zien waar men uitkomt.

De mensen met plannen hebben het overwegend over de studie. Men wil bijblijven en bijvoorbeeld zijn propedeuse halen. Dan zijn er met name de leden die (hevige) last van een blessure hebben die hopen dat dat achter de rug zal zijn en dat men weer sport op niveau kan doen. Daar werkt men voor zover mogelijk in ieder geval aan. Ook het behalen van het rijbewijs is een wens van sommige panelleden. En dan zijn er diverse wensen die slechts voor een individueel lid geIden, zoals een uitwisseling regelen, zich sociaal blijven ontwikkelen, een reis maken met een klarinetensemble en als het kan een gastgezin in het buitenland weer opzoeken.

Is men door iets of iemand geïnspireerd geraakt? De helft van het panel zegt van nee (Ik ben niet vaak bevlogen’) en de andere helft dus van ja. De inspiratie komt voor een deel van mensen uit de directie omgeving van de panelleden, bijvoorbeeld door een gezinslid (‘Door m’n zus, die heeft zichzelf naar de top gewerkt in de zeilwereld. Ze zeilt nu bij het Olympische Yngling team, terwijl ze een handicap – klompvoet - heeft. Dat vind ik heel knap en dat inspireert mij’). Ook studiegenoten, docenten of zelfs een toevallige ontmoeting kunnen inspirerend werken (‘Ouderejaars om door te zetten en voldoende punten te halen’; ‘Ik heb vaak momenten waarop ik ergens van onder de indruk ben, maar het meeste nog van een discussie met een Israëlische jongen die ik sprak in de tram’). En dan zijn er leden die een boek lazen waar ze van onder de indruk raakten of gewoon iets aan hadden (‘Deze vakantie heb ik ‘Ondergang’ van Jared Diamond gelezen, dat was wel een indrukwekkend boek. Het ging over de ondergang van beschavingen en dan vooral als gevolg van milieuproblemen’; ‘Ik heb een kookboek gekregen, en ben me nu flink aan het uitleven in de keuken. De politiek vond ik dit jaar niet zo inspirerend ‘).

Tussen inspireren en imponeren of onder de indruk raken bestaat overigens een gradueel verschil. Diverse panelleden vinden inspireren een te zwaar woord, maar waren wel ergens van onder de indruk (‘Ik heb wel mooie dingen gezien, meegemaakt, gelezen, maar daar heb ik me niet bijzonder geïnspireerd door gevoeld’; ‘Ik hou van nuchtere mensen die alles op een positieve blije manier bekijken. En dat hoeft niet per se een bekend persoon te zijn’).

Hoe staat men tegenover het eigen land? Is Nederland bijvoorbeeld een land om uit weg te trekken of juist om in te blijven wonen? Echt wegtrekken speelt slechts door het hoofd van een enkeling. De V.S. en Engeland zijn dan favoriet, meer specifiek Manhattan en de Londense City vanwege de beste banen die er liggen voor mensen die echt ambitieus zijn, zoals een panellid zegt. Een ander denkt wel eens aan Frankrijk, maar vindt het ook prima om in Nederland te blijven.

Eenderde van het panel vindt het niet alleen prima in Nederland, maar vindt het het beste land om te  wonen. Men blijft ‘lekker hier’ (‘Nederland vind ik een prachtig land, ook omdat alles zo dicht bij elkaar ligt. Daarnaast heb ik het gevoel dat je het nauwelijks beter kunt treffen dan hier. Als ik wel weg zou gaan, zou ik misschien voor Denemarken kiezen, maar dat is vooral omdat ik het gevoel heb dat het daar best wel op Nederland lijkt. Van landen als Australië of Canada hoef ik alleen de natuur en cultuur te zien, wonen hoef ik er echt niet.’).

Een groter deel van het panel ziet Nederland wel als land waar men blijft of juist weer terugkeert nadat men enkele jaren in het buitenland heeft gewerkt of gestudeerd. Men zegt nooit voorgoed weg te willen of zegt altijd terug te zullen komen. Ervaring opdoen in het buitenland spreekt wel aan. Een enkeling zou eventueel wel weg willen, maar dan eigenlijk naar precies hetzelfde land willen emigreren. Geïnteresseerd in de wereld, maar honkvast zou je het grootste deel van het panel kunnen noemen.

Ten tijde van de vragenlijst zaten er weer verkiezingen aan te komen. Mocht de zittende premier Balkenende van het panel opnieuw premier worden? Het grootste deel van het panel heeft een voorkeur voor een links kabinet, waarin Balkenende (dus) niet in meedoet. Inmiddels is Balkenende opnieuw premier geworden van een coalitiekabinet dat door geen van de panelleden werd genoemd.

Een linkse coalitie, meer aanwezigheid van GroenLinks (‘Een beetje vernieuwing kan geen kwaad. Ik vind dat Groen Links wel eens wat meer stemmen mag krijgen. Ik hoop dat mensen met verstand van Nederland het voor het zeggen krijgen’), eventueel een PvdA/VVD-combinatie, ‘alles behalve Balkenende’, zoals iemand zegt.

Sommige panelleden hebben uitgesproken interesse in politiek en komen met uitgebreide reacties (‘Nee, ik vind het tijd voor een ander, socialer beleid. Ik vind niet dat Nederland in de kabinetten Balkenende een leuker, socialer, duurzamer land is geworden, en dat neem ik het huidige kabinet kwalijk, want het is een gemiste kans. Gebrek aan visie, polarisatie in de maatschappij, minister Verdonk die na ettelijke fouten nog steeds de hand boven het hoofd gehouden wordt, de trots op mijn tolerant Nederland is gewoon weg’; ‘Er moet zeker iets anders gebeuren. De ingrepen van Balkenende-II, die ik niet toejuichte, waren achteraf gezien niet slecht, maar er zijn veel zaken die zijn blijven liggen, en dan denk ik vooral aan het onderwijs. Naar mijn idee moet er, om de economie te laten groeien, fors geïnvesteerd worden in het onderwijs. Dat begint heel simpel met een kapitaalinjectie: de salarissen van leraren moeten gewoon omhoog. Daarnaast moeten er meer mogelijkheden voor differentiatie in het belonen van de leraren komen, zodat WO-geschoolde leraren – met hun startsalaris – meer verdienen dan lager opgeleide leraren, zoals dat in het bedrijfsleven ook gebeurt. Daarna moet er veel meer beloond worden naar de kwaliteit van de leraar. Dit moet ervoor zorgen dat er weer genoeg leraren komen. Dit is slechts een klein onderdeel van wat er allemaal beter kan in het onderwijs.’).

Andere leden zeggen juist dat politiek hen niet interesseert of dat de interesse door het optreden van Balkenende is verdwenen (‘Van mijn eerdere grote interesse in de politiek is na het derde achtereenvolgende “vallende” kabinet niet heel veel meer over. Iedereen doet het toch fout... Overal wordt er gezeurd, zonder dat er eerst zelf het mogelijke aan de situatie gedaan wordt’).

Een klein deel van het panel kiest voor voortzetting van Balkenende als premier. Hij heeft het in hun ogen niet slecht gedaan of zelfs veel bereikt of het is zo, zoals iemand gelaten zegt, dat het toch allemaal op hetzelfde neer komt. Ook bij leden die niet zitten te wachten op een nieuwe kaninet-Balkenende is soms te horen dat de kritiek op hem te sterk was (‘Ik denk wel dat Balkenende meer wordt afgezeken dan hij daadwerkelijk verdient; z’n imago lijkt belangrijker te zijn dan de dingen die hij zegt of doet’; ‘Ik vind dat Balkenende teveel kritiek krijgt, zo dramatisch was zijn regeringsperiode nog niet. Ik vind het een goed voorbeeld dat het toch blijkt dat uiterlijk en charisma wel degelijk een grote rol speelt in de beoordeling van mensen, Balkenende mag dan van allebei weinig hebben, maar zijn politieke “skills” zijn zo slecht nog niet. Aangezien ik links ben zie ik natuurlijk liever PvdA in de coalitie’). Dit laatste panellid kreeg zijn zin. Overigens valt het op dat niemand spontaan een andere kandidaat-premier noemde. Zo is ook de naam van Wouter Bos geen enkele maal gevallen. Het panel lijkt meer in partijen en standpunten geïnteresseerd dan in personen.

6. Eindindruk

Het gaat goed met het panel, wat niet wil zeggen dat het leven niet af en toe een tik kan uitdelen. Men is druk bezig met de studie en het sociale leven er omheen. De toekomst bestaat, maar wenkt nog niet echt. Het hier en nu eist bijna alle aandacht op. Voor enkelen betekende het begin van de studie meteen de realisatie dat men eigenlijk een andere keuze had moeten maken, maar de meeste panelleden lijken tevreden te zijn met hun keuze en enthousiast over het vakgebied.

(samenvatting gemaakt door Theo Capel)