The IQ Myth

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 5: The IQ myth 

De derde mythe die Winner bestrijdt, is het onderwerp van dit hoofdstuk. Moet je een buitengewoon hoog IQ hebben om getalenteerd te zijn? Het antwoord is 'nee', wat Winner al in de eerdere hoofdstukken aangaf. Het meten van het IQ draagt per definitie in zich dat talent onderbelicht blijft. Kinderen verschillen al in verbale en numerieke begaafdheid (de twee standaardonderdelen van een intelligentietest). Een relatief zwakke prestatie op een van beide delen, leidt dan tot een lager IQ en mogelijk ook tot negeren van het echte talent van het betreffende kind. In het geval van artistiek talent (beeldend en muzikaal) is er vaak sprake van een zwak verband met het IQ, wat overigens ook doorvelen als zodanig wordt geaccepteerd. Met name tekenaars en schilders worden (vaak terecht) gezien als specifiek begaafde mensen die verder helemaal niet slim hoeven te zijn. En dan zijn er nog de zgn. 'savants', geretardeerde, in hun ontwikkeling achtergebleven mensen die op diverse gebieden topprestaties laten zien die je normaal gesproken eerder van zeer intelligente of anderzins mensen zou verwachten.

In dit hoofdstuk geeft Winner zichzelf zeer veel ruimte om lezenswaardige zaken over artistiek talent naar voren te brengen. Voor de lezer die in intellectueel talent is geļnteresseerd, is dit minder van belang. Winner gebruikt haar kennis op het artistieke terrein als een stormram tegen de intelligentietest als exclusieve meetlat voor talent. Als interessant terzijde meldt ze ook nog dat kinderen met teken/schildertalent vaak leesmoeilijkheden hebben. Op zich al een reden om laag te scoren op een IQ-test.
Ze beschrijft een onderzoek van Csikszentmihalyi die een onderzoek deed naar kinderen met muzikaal talent, wiskundig/natuurkundig talent, beeldend talent en sporttalent. De kinderen met muzikaal talent deden het het allerbest op school en met beeldend talent het minst. Maar deze laatste groep blonk wel weer uit door een sterk visueel geheugen en scores op taken met een visueel karakter, zoals de verborgen Figurentest en Onvolledige Tekeningen. Muzikaal talent ging veel vaker samen met een goed IQ, maar de samenhang was verre van perfect. Ook deze kinderen hadden een goed visueel geheugen en daarnaast ook een goed auditief geheugen, zowel op korte en lange termijn.

Het grootste deel van dit hoofdstuk gaat over de 'savants', vroeger 'savants idots' genoemd. Winner acht dit echter een beledigende term. Bij deze mensen is geen sprake van diepe zwakzinnigheid, maar vaak wel van duidelijke mentale achterstand in de ontwikkeling. Daarnaast zitten er in deze groep ook autisten, waarbij een zwakke intelligentie minder een rol speelt en het verstoorde, verkrampte taalgedrag en sociale gedrag op de eerste plaats komt. 'Savants' zijn in overgrote meerderheid mannen, in een verhouding van 6 staat 1.
Winner geeft een uitgebreide beschrijving van hun verrassende prestaties op tekengebied, muziek (beperkt tot pianospel) en rekenvaardigheid ( razendsnel hoofdrekenen en goochelen met kalendergegevens). De kwaliteit van hun uitingen ligt hoog, maar is deels toch ook anders dan die van normaal ontwikkelde, getalenteerde kinderen en volwassenen. Er is vaak sprake van prestaties die weinig ruimte bieden aan fantasie, verhalen, metaforen en ironie. Soms lijkt het alsof 'savants' de wereld als een camera zien. Bij onderzoek blijkt wel degelijk dat naast waarnemen en weergeven ook denken een rol speelt.

De prestaties van deze bijzondere types vestigen nog eens de nadruk op de veronderstelling dat intelligentie en talent een aanboren, genetische kwestie is. Je kan nog zo gemotiveerd zijn en zo veel oefenen, maar zonder de aanleg kom je toch niet aan de top. Of ligt het toch genuanceerder?

(wordt vervolgd)

(samenvatting door Theo Capel