The biology of giftedness

 

 

 

 

Hoofdstuk 6: The Biology of giftedness

Mensenkennis wil ons graag doen geloven dat begaafdheid en verder ook een hoop andere trekjes een kwestie van aangeboren of erven is. Psychologen vinden mensenkennis of het gezonde verstand gewoonlijk maar niks. Die willen wetenschappelijke bewijzen zien, maar zelf hebben ze ook hun stokpaardjes. Ze stellen over begaafdheid vaak dat (aan)leren een veel belangrijker rol speelt dan wat je bij je geboorte meekrijgt. Op het gebied van muzikaal talent was de Japanner Suzuki een goed voorbeeld van de stelling over aangeleerde begaafdheid. Geef elk (klein) kind een viool(tje), laat hen veel oefenen en je zult zien dat ze prachtig gaan spelen.

Voor het argument dat leren het belangrijkst is voor begaafdheid, spelen ook de memoires van succesvolle, begaafde volwassen een belangrijke rol. Die laten zien dat ze vaak komen uit een warm, ondersteunend gezin, briljante leermeesters hadden en waanzinnig veel tijd investeerden in hun kunde. Anders Ericsson is een bekende psycholoog die ook veel opgeeft van het effect van steeds maar oefenen ('deliberate practice' ofwel 'Oefening Baart Kunst').

Winner blijft haar twijfels hebben over het bepalende effect van de omgeving en dus van het effect van leren en oefenen. Ze wijst er enerzijds op dat eminente volwassenen meestal als kind trekken hadden van een wonderkind. Zonder aanleg voor een bepaald gebied stort je je ook echt niet hierop en dat laatste deden deze mensen nou juist al zeer jong. Daarnaast kun je oefenen tot je een ons weegt, maar dat levert niet per definitie briljantie op. Ze ondersteunt dat met voorbeelden van kinderen die veel tekenden zonder dat er echt groei naar een topniveau ontstond en zo zijn er meer voorbeelden te geven, zoals de Suzuki-violisten die meestal niet verder komen dan een heel behoorlijk niveau. 

Winner stapt dan over op een beschouwing van de biologisch-fysiologische basis van begaafdheid. De erfelijke invloed bewaart zecvoor het slot van dit hoofdstuk. Eerst geeft ze een uitgebreid overzicht van hersenonderzoek en begaafdheid en komt ze terug op de 'savants' of 'savant idiots' uit het vorige hoofdstuk (nr. 5).

Ze begint met de vermelding van verschillen in de hersenen van musici in vergelijking met andere mensen, zoals dat uit hersenscans bleek. Ze stipt ook post-mortem onderzoek aan van onder meer de hersenen van Lenin en Einstein, maar dat soort onderzoek bracht niets op. De vraag blijft of anatomisch verschil in hersendelen of hersengebieden van mensen, zoals bij musici, aangeboren zijn of een gevolg van veel oefenen op een bepaald gebied.

Vervolgens heeft ze het kort over de invloed die de omvang dan wel het volume van de hersenen kan hebben, de snelheid van reageren en de mate van efficiëntie bij het denken. Dat laatste wil zeggen de hoeveelheid energie – gemeten aan glucoseverbruik – die het denken kost. Al deze factoren brengen de discussie over aangeboren versus aangeleerd niet echt verder.

Winner zet alles in op een a-typische structuur van de hersenen. Ze komt dan terecht bij het verschil in dominantie tussen de hersenhelften, waarbij de linkerhemisfeer belangrijk is voor taalvaardigheden en de rechter- meer voor ruimtelijke en muzikale vaardigheden. Ze behandelt vooral uitvoerig de theorie van Geschwind en Galaburda die veel belang hechten aan de invloed van het hormoon testoron op de foetus in de laatste fase van de zwangerschap. Die theorie zou ook een goede verklaring geven voor het ontstaan van 'savants' en het feit dat dit bijna uitsluitend mannen zijn. Autisme en ontvankelijkheid voor astma en allergieën komen terzijde ook aan bod. Het is een interessant onderdeel van dit hoofdstuk, maar meer van belang voor de lezer die in pathologie dan wel a-typische varianten is geïnteresseerd.

Het laatste deel van het hoofdstuk gaat over erfelijkheid. Zit begaafdheid in de familie? Galton, de grondlegger van dit soort onderzoek, en Terman dachten van wel. Winner heeft haar twijfels, maar stelt toch ook dat er duidelijk sprake is van een genetische component. Ze geeft een krachtige samenvatting van het tweelingonderzoek dat de basis voor de argumenten over erfelijkheid vormt. Met name vermeldt ze onderzoek van eeneiige tweelingen die gescheiden opgroeien. Daarnaast is er ook veel onderzoek gedaan naar de kenmerken van adoptiekinderen en hun niet-natuurlijke ouders. Globaal zou je verwachten dat tweelingen ondanks alles ook qua begaafdheid veel van elkaar weg hebben en dat adoptiekinderen veel minder op hun (stief)ouders lijken dan eigen kinderen van deze ouders. In de praktijk wordt dit ook bevestigd, zij het met de nodige mitsen en maren en met felle discussie welke factor je het zwaarst moet wegen. Voor Winner weegt erg zwaar dat identieke tweelingen naarmate ze ouder worden qua intelligentie steeds meer van elkaar weg hebben, ook al groeien ze apart op. Ogenschijnlijk zou juist het omgevingseffect naarmate de tijd verstrijkt, steeds sterker moeten worden.

De slotsom van Winner is dat genetische en neurologische factoren wel degelijk een rol spelen bij begaafdheid. Alleen is het moeilijk om dat in een percentage vast te leggen. Mensen brengen hun natuur of aard met zich mee en de omgeving speelt daarop in of juist tegenin en zo ontwikkelt een ieder zich in een bepaalde richting. Maar dat leren en de omgeving allesbepalend zijn, wijst ze van de hand. Ze komt in dat verband ook nog met het een overtuigend klinkend argument dat domme of zelf zwakzinnige mensen ondanks alle inspanning meestal verstandelijk niet anders worden dan ze al in grote trekken zijn. Oefening Baart Kunst, maar dan moet er toch een goede basis aanwezig zijn. Wat dat betreft heeft het gezonde verstand meer gelijk gekregen dan alle psychologen bij elkaar. 

Wat in dit hoofdstuk niet goed uit de verf komt, is het verschil tussen gewoon en a-typisch. De theorie van Geschwind is duidelijk gebaseerd op beschadigingen tijdens de zwangerschap, hoewel het resultaat daarbij ook juist begaafdheid met zich mee kan brengen en dus positief uitpakt. Maar in de meeste gevallen is er bij begaafdheid van geen pathologie sprake. Misschien dat juist erfelijkheid in het algemeen een rol speelt, maar Winner haalt dit niet echt helder uit elkaar.

Bij zwakzinnigheid is die discussie er wel. Daar is enerzijds veel bekend over schadelijke effecten die tot zwakzinnigheid leiden, zoals het extrachromosoom dat bepalend is voor het Syndroom van Down ('Mongolisme') en anderzijds het verschijnsel dat ook mensen zonder aantoonbaar gebrek zwakzinnig kunnen zijn (de volksmond heeft hiervoor allerlei beledigende aanduidingen). Je hebt dus zowel de a-typische variant als de minusvariant. Bij begaafdheid zou datzelfde kunnen spelen, zij het dus dat de pathologie dan zoals gezegd wonderbaarlijk genoeg positief uitpakt.

(wordt vervolgd)  

(samenvatting door Theo Capel)