Schools: How they fail, how they could help

 

 

 

 

Hoofdstuk 9: Schools: How they fail, how they could help

In dit hoofdstuk ontmoet het getalenteerde kind de school en dat geeft geen opgewekt, geruststellend beeld. Winner schrijft over de toestand in de V.S., maar veel van wat ze zegt en aanhaalt, zou ook op Nederland kunnen slaan. Het boek stamt weliswaar uit 1996, maar helaas – zou je kunnen zeggen – is nog veel van het hoofdstuk correct.

Winner begint met een aanloop waarin ze stelt dat er een neiging tot gelijkheidsdenken is en zo tot het min of meer ontkennen van begaafdheid. Elk kind zou wel ergens in getalenteerd zijn en dat sluit uit dat sommigen extra aandacht moeten/kunnen krijgen. Men staat ook ambivalent tegenover intelligente leerlingen. Als je toegeeft dat er slimme kinderen zijn (slimmer dan anderen), dan impliceer je in wezen ook dat er dommerds zijn. Dat zou geen pas geven.
En als er aandacht voor begaafde leerlingen is, dan is dat meestal niet meer dan een speciaal uurtje per week en dat uurtje staat meestal ook nog open voor de matig getalenteerden. Voor wonderkinderen is er eigenlijk niets.

De rest van de inleiding schetst Winner de problemen van ouders met zeer getalenteerde kinderen. Schoolgang en schoolkeuze geven veel problemen. In Amerika bestaat gelukkig wel de uitweg van huisonderwijs. De school geeft maar aanleiding tot onderpresteren, druktemakergedrag en andere negatieve zaken.

Tussen de aanhangers van extra aandacht voor begaafde kinderen bestaan meningsverschillen over de beste aanpak, maar dat zou niets zijn vergeleken met de meningsverschillen met hen die van geen extra aandacht willen weten. Winner schetst vervolgens de pro- en contra-argumenten voor diverse didactische benaderingen
Ze begint met niveaugroepen, dan wel speciale klassen. Dat zou er maar toe leiden dat andere leerlingen zich de dupe voelen en zich dom achten. Die anderen zouden dan ook misschien wel les krijgen van de zwakkere leraren. Het leidt bij de getalenteerden maar tot arrogantie en elitair gedrag. Het is ook onnodig want begaafde kinderen zorgen zelf wel dat ze aan hun trekken komen en bovendien kunnen ze beter de rest gaan helpen. Het scheidt ook kinderen op basis van afkomst en klasse en werkt zo discriminerend.

Dan is er de mogelijkheid van een klas/klassen overslaan. Dat zou maar een sociaal probleem geven, omdat deze kinderen dan niet bij leeftijdsgenoten zitten en omdat oudere kinderen zo’n ‘broekie’ niet zouden accepteren.
Winner zegt dat met die argumenten voorbij wordt gegaan aan het feit dat het demotiverend werkt om leerstof te krijgen waar je niets van opsteekt. Bovendien passen getalenteerden vaak niet bij hun leeftijdsgenoten. Die zijn ze eigenlijk al meteen ontgroeid.

Winner geeft vier argumenten waarom speciale aandacht/onderwijs nuttig en nodig is. Om te beginnen is het niveau van het (Amerikaanse) onderwijs veel te laag, helemaal vergeleken met andere landen. Het zou beter kunnen en dat geldt voor het onderwijs aan alle leerlingen.
Dan is het zo dat (te) lage eisen en verwachtingen tot onderpresteren leiden. De (basis)school is eigenlijk tijdverspilling. Begaafde leerlingen kunnen zo lui worden en in dagdromen wegzakken. Het is demotiverend om dingen te leren die je al kan of die je heel snel leert en dan de rest van de tijd niets hebt te doen. Begaafde leerlingen leren zich zo niet inspannen en het leidt ertoe dat ze als het echt moeilijk wordt snel opgeven.

De schoolgang voegt eigenlijk niets toe is het derde argument. Winner komt met allerlei anekdotische gegevens van eminente jongeren en volwassenen die school maar niets vonden. Men kreeg het eigenlijk pas naar de zin op de universiteit. Met name op de basisschool weten ze vaak al meer dan de leraar. Die leraren vinden dit soort kinderen vaak arrogant, ongemotiveerd en onoplettend. Ze zijn vaak non-conformistisch en stijfhoofdig en dat leidt dan tot conflicten.
De invloed van thuis en buitenschools leren is voor deze leerlingen vaak veel meer van belang. Ze zijn gebaat bij een mentor van buiten de school die hen onder de hoede neemt. Naar school gaan is op zijn best irrelevant en op zijn slechtst een negatieve intellectuele (en sociale) levensles. Winner heeft het dan speciaal over de absolute uitschieters en zegt daarbij dat ze het over de doorsneeschool heeft.

Als vierde argument neemt Winner het op voor begaafde leerlingen uit achtergestelde milieus. Leerlingen met goed opgeleide ouders krijgen van huis vaak allerlei zaken mee die anderen moeten missen. En dan is het ook nog zo dat in sommige milieus (en Winner spreekt dan met name over de arme, zwarte Amerikanen) bijna straf staat op je best doen op school en presteren. Je zou je niet moeten willen aanpassen, maar juist willen afzetten, want anders hoor je er niet bij. Voor begaafde kinderen is het dan van extra belang dat ze extra  aandacht krijgen.

Hoe zou het dan wel kunnen of moeten? Winner schetst dan de stand van zaken in de V.S. waar onderwijs een zaak van lokaal bestuur is. Dat leidt tot een lappendeken van voorzieningen. Ze geeft een kort historisch overzicht en noemt dan ook het zgn. Spoetnik-effect, de lancering van de eerste Russische kunstmaan in oktober 1957 die de Amerikanen schokte en tot extra inspanning ook op onderwijsterrein leidde.
De rest van het hoofdstuk gaat dan vooral over het (nuttige) effect van diverse maatregelen om extra aandacht aan getalenteerde leerlingen te geven. Wat heeft echt effect= Let eens meer op wat onderzoek heeft opgeleverd, dan af te gaan op vooringenomen ideeën en standpunten, zegt ze.
Winner citeert allerlei onderzoek dat enerzijds gaat over  vormen van eenniveaugroepachtige aanpak en anderzijds over klassen overslaan. Wij zijn in dit verband gewend aan de termen van verrijking en compacting versus versnelling.

Bij niveaugroepen komt de discussie terug of juist niet de zwakkere leerlingen de dupe worden van het afwezig zijn van betere leerlingen om hen heen. Daarnaast is de vraag of het voor de betere leerling wel effect heeft.  Speciale klassen, of speciale lessen (lesuren) werkt wel, maar volgens Winner moet je je niet blind staren op het effect. Van negatieve ervaringen voor de overige leerlingen is geen echt bewijs. Met name speciale klassen werkt het best, een feit dat ook het dichtst aansluit bij wat men spontaan zou denken. Winner is het meest voorstander van versnellen (klassen overslaan). Dat voorkomt maar elitair gedoe met speciale klassen, het kost eigenlijk niets extra en vooral als een school maar een enkele begaafde leerling heeft is het eigenlijk maar de enige oplossing. Het negatieve sociale effect zou ook te verwaarlozen zijn, vooral als het versnellen met mate gebeurt.

Winner noemt ook nog andere onderwijsmogelijkheden. Om te beginnen is er in de V.S. de vrijheid om huisonderwijs te geven. Zij is daarvan geen groot voorstander, vooral vanwege het ontbreken van de omgang met andere kinderen. Dan kun je aparte scholen stichten. Dat lijkt Winner een uitstekend idee en ze noemt ook enige voorbeelden hiervan die goed blijken te werken. Dan ontstaat uiteraard weer wel het argument van het elitair gedoe. Ze noemt  ook de mogelijkheid van een Individueel Onderwijs Programma (IEP in het Engels), maar zegt er meteen bij dat leraren dat vaak maar moeilijk kunnen opbrengen om allerlei redenen. Tot slot noemt ook nog coöperatief leren, waarbij de betere leerlingen als een soort leraren gaan fungeren voor de zwakkeren. Maatschappelijk klinkt dat het fraaist, maar leren de begaafde leerlingen daar echt van en zijn ze daarvoor wel geschikt=

Wat Winner – naast speciale scholen – eigenlijk het mooist vindt, is onderwijs op een hoger niveau tillen voor iedereen. Je richten op de beteren trekt ook de zwakkeren omhoog, zou uit onderzoek van met name professor Hank Levin blijken. Door de eisen over de hele linie op te schroeven, zou het niveau van iedereen stijgen en de kloof tussen de zwakke en vooruitlopende leerling deels worden gedicht.

Helemaal aan het eind van het hoofdstuk doet Winner nog enkele aanbevelingen die ook als een samenvatting van het geheel kunnen worden gelezen. Ze pleit voor een algemene verhoging van het onderwijsniveau. Dat komt ook getalenteerde kinderen ten goede. Extra aandacht zou er alleen moeten zijn voor de echte hoogvliegers. Daarvoor zouden aparte klassen/scholen moeten komen. ‘Topklassen’ (advanced classes) zou je die kunnen noemen. Liefst zouden die klassen ook nog domeinspecifiek van aard moeten (kunnen) zijn. Leerlingen zouden hiervoor een plaats moeten verdienen op basis van prestaties, net als in de sport en muziek gebruikelijk is. Je zou er ook weer uitgezet kunnen worden als je prestaties niet meer passend zijn. Dat geeft nog eens duidelijk aan dat je zo’n plek moet verdienen met talent en met inspanning. Zulke klassen/scholen  zouden ook kunnen voorkomen dat kinderen vele klassen moeten overslaan en zo sociaal in de problemen kunnen komen door zich als het ware te moeten invechten bij oudere leerlingen. Elke aanpak blijft overigens een compromis zegt Winner tussen kinderen bij elkaar houden of apart zetten. Het belangrijkste blijft echter in haar ogen kinderen op niveau – en dus ook topniveau – onderwijs aan te bieden.

(wordt vervolgd)

(samenvatting door Theo Capel)